De heer Oldenburg over een jaar wonen op Landgoed Klein Engelenburg

Hier genieten we nog heel wat zelfstandigheid, maar de grote winst is dat wij een flink deel van het interieur, waarmee we zo verbonden zijn, mee konden nemen.

Het echtpaar Oldenburg woont sinds een jaar in het landhuis van Klein Engelenburg. Het appartement dat ze bewonen ademt liefde voor geschiedenis en literatuur.

Voor de klas
Meneer Oldenburg is 87 jaar oud en 68 jaar samen met zijn vrouw. Samen hebben ze drie zonen. Hij vertelt: “Mijn vrouw en ik hebben elkaar op de Kweekschool ontmoet, in 1951. Na de oorlog, die ik heel bewust heb meegemaakt, zijn mijn ouders gescheiden. Dat kwam in die tijd niet vaak voor. Mijn moeder moest voor haar drie kinderen opkomen. En als oudste zoon voelde ik mij verantwoordelijk. Daarom werd ik werkstudent en ging zo snel mogelijk aan de slag om mijn moeder te helpen. Ik werd leraar Duits. Ik heb niet geleden onder die keuze, al ben ik er wel jong volwassen door geworden. Naarmate ik het vak langer uitoefende ben ik erachter gekomen wat het voor mij betekend heeft. Ik ben van de literatuur en geschiedenis interesseert me zeer. Maar het kennismaken met de oudere leerlingen heeft de meeste indruk gemaakt. De gesprekken die we voerden gingen lang niet altijd over de Duitse taal, maar hebben mij zeer voldaan.”

Meneer laat een foto zien van een oud-leerling die het hoogleraarschap aanvaardt. “Volgende maand is een reünie van de school waar ik gewerkt heb. Dan zie ik hem waarschijnlijk ook. Deze oud-leerling woont en werkt nu in Amerika. Er komen oud collega’s waar ik nog contact mee heb. Onze zoons zijn ook aanwezig, die hebben alle drie bij me op school gezeten. Mijn middelste zoon gaf ik zelfs les. Ik was extra streng voor hem. Op een bepaald moment had ik zijn werk teruggegeven en hij had wéér een te laag cijfer. De klas is toen collectief opgestaan en kwam in protest. Geweldige herinneringen zijn dat.”

Verzamelingen uit de oudheid
“Mijn vrouw en ik houden van oude spullen met een verhaal. In ons appartement staan stoelen en een dekenkist van de ouders van mijn oudste vriend, geschenken van hun trouwdag. Ik denk dat wij deze al zo’n veertig jaar in ons bezit hebben. Ik hecht daar erg aan. De troonstoel die je ziet, is nog van de orde van Benedictijnen geweest. Hij stamt uit ongeveer 1500 en lag onder het stof bij de antiekhandel, maar ik was er meteen verliefd op. Het verbaast mij soms dat ik een leven heb geleid waarbij ik afstand heb moeten nemen van dingen, en me toch zo aan bepaalde zaken hecht. Zoals mijn verzameling Romeins glas, het oudste object is 2000 jaar oud! Dat mensen in die tijd in staat waren om van glas zulke verfijnde voorwerpen te maken. Het verbindt mij met het verleden en dwingt respect af. Onze spulletjes passen hier goed, we voelen ons hier prettig. Ik heb heel wat uren zitten puzzelen over de inrichting en het is wonderbaarlijk goed gelukt.”

Zorg uit handen geven
“De reden dat we hier wonen is dat het geheugen van mijn vrouw hard achteruit gaat. Ik droeg de zorg voor mijn dementerende vrouw. Toen ik een aantal keren onderuit ben gegaan hebben onze jongens gedacht; nu zoeken wij een oplossing. Ik ging er als een onbeschreven blad in. Voor mij werkte dat. Want je kunt het je zo lastig voorstellen hoe het is om ergens anders te wonen. Ik heb als kind zoveel meegemaakt dat ik ook niet snel zal zeuren. Haar dementie heeft voor mij soms ontroerende momenten. Zo stond ze laatst opeens naast mijn bed en zei ze dat ze het zo vreselijk vond dat zij mij dit aandeed. Tegen mijn vrouw zei ik: “Wij doen het samen en je moet dingen accepteren.” Ik denk dat zij hier op haar plek is. Zij begrijpt dat de zorg hier óók bezorgt is om mij. En dat ik, als mijn vrouw aan een activiteit deel neemt, even op mezelf kan zijn. De bedden worden opgemaakt, mijn vrouw wordt geholpen met douchen en aankleden. Dat is fijn. En iedereen is heel zorgvuldig en aardig. Ik vind het hier verrassend en sfeervol.”

Samen op pad
“In tegenstelling tot mijn vrouw heb ik geen zorg nodig. Ik lees veel, computer of ga samen met mijn vrouw op pad. Kennissen bezoeken of ergens een kop koffie drinken. Ik rijd nog auto. We voelen hier alle vrijheid. We zijn dinsdagavond nog met onze oudste zoon uit eten geweest. Dat kan hier. Dat bepalen we allemaal zelf. We wandelen ook graag samen over het landgoed. Dat is goed voor ons allebei. Ik maak ook gebruik van het activiteitenaanbod hier. Op vrijdagmiddag bezoeken mijn vrouw en ik altijd samen het concert. Mijn vrouw heeft zangles gegeven, ze is erg muzikaal. Zij bezoekt daarnaast activiteiten speciaal voor dementerenden. Zo is ze deze ochtend bij het voorlezen aangesloten. Ik doe weer mee aan andere dingen. Geweldig dat dat hier kan.”